You are hereAlles is schoon als men het maar zien kan
Alles is schoon als men het maar zien kan
Mijn Nederlandse uitgever wil weten waar ik mijn nieuwe boek ga voorstellen. We zitten in zijn ruime grachtenpand voor een werklunch. ‘Waarom niet hier in Amsterdam?’ vraagt hij zonder het antwoord af te wachten. Ik zie in gedachten het wilde feest voor me, met gretig coke snuivende party animals en veel vrouwen op hoge benen. Loopt daar niet Maxima? Goh, leuk dat je er bent schat. Kiss kiss. Hier pak een boekje mee voor Willem Alexander. En hè, wie rijden ze nu binnen? Sonja Barend. Achteraan in de zaal herken ik Harry Mulisch. Ruim tachtig, maar dat negeert hij met misprijzen. Net zoals het strenge rookreglement. Harry geniet van zijn pijp. Maar dan denk ik aan al die Vlamingen die ik naar het gevaarlijke Amsterdam moet sturen en vooral aan hun auto’s die ze daar onmogelijk achter kunnen laten. Tenzij ze het niet erg vinden om zonder motor of op twee banden terug naar huis te keren. Ik zwijg. ‘Ja, het hoeft niet hoor,’ zegt de uitgever die mijn angstzweet ruikt. ‘Voor mij mag het net zo goed in Brussel.’ Brussel? Weet hij dan niet dat wij Vlamingen Brussel mijden als de pest. We fietsen De Gordel, ja. Maar dat is het net. Vlamingen omsingelen de hoofdstad liever, zoals Indianen een tentenkamp, dan dat ze er binnen zouden gaan. ‘Antwerpen, mag ook hoor’, probeert hij. ‘Of Gent. Mooie locaties zat daar. Het Belfort, Smak. Waarom niet in de Vooruit?’ Mijn uitgever is één van die weinige Nederlanders die Vlaanderen echt kent. Hij vindt ons toch zó gezellig. Ik kijk met Bourgondische blik naar de karnemelk die hij heeft laten aanrukken. De twijfel sloopt het pand binnen. We zwijgen allebei. Buiten lopen twee goed in het vlees zittende dames langs de gracht. Ik droom weg. Denk aan beeldhouwer Rik Wouters, Mechelaar in hart en nieren. Alles is schoon als men het maar zien kan, zei hij tegen zijn vrouw Nel toen ze voor hem poseerde. ‘We moeten het wel ergens doen natuurlijk,’ zegt mijn uitgever en kijkt op zijn horloge. ‘En liefst ergens waar je deftig volk kunt ontvangen.’ Ik neem een slok van het glas karnemelk dat heel de tijd onaangeroerd voor me is blijven staan.
‘Wat denk je van Mechelen?’ werp ik hem voor de voeten. ‘Ik woon er al zo lang…Ken er de weg…Heb er mijn vrienden…’ Hij kijkt me verdwaasd aan. Zo ongeveer zoals Bush keek toen hij vernam dat er net twee vliegtuigen in de Twin Towers waren gevlogen. ‘Mechelen?’ herhaalt hij vol ongeloof. ‘Ja natuurlijk,’ lacht hij. ‘Waarom niet in Zichen-Zussen-Bolder?’ Hij staat op en zegt dat we de kwestie zullen herbekijken als ik me wat beter voel. Een week later belt hij op. ‘En, al hersteld?’ ‘Ik voel me beter dan ooit,’ antwoord ik hem. ‘Goed, zo,’ zegt hij opgelucht. ‘Wat wordt het?’ ‘Mechelen,’ roep ik heldhaftig, ‘of helemaal niets.’ De andere kant van de lijn valt stil. En dan: ‘Weet je ’t zeker?’ ‘Heel zeker,’ stel ik hem gerust. ‘Akkoord,’ blaft hij nog. ‘Maar op eigen risico!’
- login of registreer om te reageren
-

Als medeorganisator van dit intervieuw danken wij u van harte voor de schitterende wijze waarop u DEFLO hebt
"ondervraagd". ik stuurde nog een foto naar de webma
ster.weet niet of u die ontvangen hebt??
mvg jan franckx - secretaris wf. afd. mechelen