You are herePensioen
Pensioen
A tribute to Willem Elsschot. Voor Cyriel van Tilborgh, voorzitter van het WEG, Willem Elsschot Genootschap bij zijn vijfenzestigste verjaardag
Een ellendige januariavond met een motregen die de dappersten van de straten veegt. Voor het eerst sedert zeer lang, want de jaren vlieden, zal ik ditmaal naar huis gaan, waar mijn ontijdige intrede beschouwd zal worden als een stap op de weg die tot inkeer leidt. Alle begin is moeilijk en beter laat dan nooit, zal mijn vrouw zeggen. Maar eerst nog een krant voor vanavond bij het vuur, want als ik niet lees werkt mijn zwijgen verkillend op mijn huisgenoten. Hier heb ik mijn winkeltje, dat ik al jaren bezoek en waar ik de oude juffrouw voor de tienduizendste maal zal horen zeggen wat zij van het nieuws denkt. ‘Kijk, hier,’ zegt ze, en met die hangende snijtand, die niet vallen wil, wijst zij naar de voorpagina van mijn krant. ’80 miljard frank voor noodlijdende Kredietbank.’ - ‘Ja,’ zeg ik, ‘veel geld.’ - ‘Uw bank,’ preciseert zij. - ‘Ja, eigenlijk mijn bank.’ Want ik zou die stalagmiet, waarvan ik de langzame vorming van naderbij gevolgd heb, voor geen geld ter wereld durven tegenspreken. Waarachtig, als ik buiten kom en mijn kraag opzet voor een drafje naar de tram toe, wordt mijn aanloop gehinderd door het slechte weer dat zelfs de dappersten terug naar hun stamkroeg jaagt. Ik vlucht naar binnen, ga aan een tafel zitten en heb vrijwel meteen een man in de gaten die één tafel verder tegenover mij zit. Hij roept herinneringen in mij wakker, al weet ik zeker dat ik nooit met zo iemand heb omgegaan. Hij ziet er voorspoedig en burgerlijk uit, als een man van zaken, en toch doet hij mij denken aan artistieke drankgelagen en dichterlijke nachten. Neen, ik heb nooit omgang gehad met mensen van dat soort maar ik kan mijn blik niet van hem afwenden. Waar, waar, waar?‘Kelner,’ vraagt hij opeens, ‘ben jij lid van mijn vereniging?’‘Van welke precies?,’ vraagt de kelner rustig. De man aan het tafeltje begint aan een opsomming die zelfs de dappersten van de straten veegt. De kelner geeft geen verder bescheid en keert de man discreet de rug toe. Nu herken ik hem weer. ‘Hoe maak je ‘t, Laarmans?’ vraag ik, terwijl hij zijn single malt proeft. Hij zet zijn glas neder, kijkt mij aan en herkent mij dadelijk. ‘Wel, heb ik van mijn leven!’ Een ogenblik later zit hij aan mijn tafel en bestelt ’n tweede single malt, zonder te vragen of ik er trek in heb. Wat is die Laarmans veranderd! Ik heb hem gekend als een haveloze voorvechter, met lang haar en baard dat de kraag van zijn jas vettig maakte en een zware knuppel, waarmede hij dreigend zwaaide wanneer hij voor een zaal moest spreken. Niemand kon als hij ‘Zot van Elsschot! Zot van Elsschot!’ roepen en hij werd dan ook, bij mijn weten, tweemaal door de politie ingerekend voor dingen die hij niet gedaan had, alleen maar omdat hij zo overtuigend en eloquent was. ‘Wat voer je tegenwoordig uit, Laarmans?,’ waag ik eindelijk. Hij denkt even na en lacht. ‘Wat of ik uitvoer?’ vraagt hij terug. ‘Ja, wat zal ik zeggen? Makkelijk om te vertellen is dat niet en nog minder om ’t zo maar dadelijk te snappen. Nog een single malt?’
En hij bestelt werkelijk nog twee glazen. ‘Ik betaal alles,’ stelt hij mij gerust. Hij kijkt voor zich uit, als werpt hij een blik in het verleden, en pakt dan een bierviltje waarop hij begint te schrijven.
‘De klacht van den oude,’ lees ik met hem mee.
Ik word aan ’t oud zijn niet gewend.
De lichterlaaie die ik heb gekend
zit nog te diep in mijne knoken
en blijft mij dag en nacht bestoken
Hij nipt van zijn single malt en leest dan voort.
Wanneer ik langs de huizen trek
loert men mij na, als ware ik gek,
alsof mijn plannen en mijn zonden
Op mijnen rug te lezen stonden.
Maar laat mij doen met eigen vuur
Wat ik verkies, zolang ik duur.
En terg ons niet: mij armen stakker,
en Satanlief, mijn laatsten makker.
Ik word overvallen door een stemming die ‘k nog nooit heb ondergaan, zo groot is mijn medeleven dat mij plots als een nevel omhult. Na een poos vraagt Laarmans: ‘Hoe staat het met de Vlaamse zaak en de politiek in ’t algemeen?’ Ik denk dat hij in den vreemde gewoond heeft en antwoord dat er bij mijn weten weinig veranderd is, dat bankiers en mannen van zaken nog steeds geld uitgeven dat ze niet hebben en dat de socialisten nog steeds socialisten heten ook al vinden wildvreemden dat dat moet veranderen en dat de katholieken nog steeds tjeven zijn en de liberalen op de keper beschouwd ook. ‘Maar de Vlaamse zaak,’ dringt hij aan. ‘Je weet wel…Optochten met vlaggen en zo, verduiveld. En quizzen, of tenminste volksvermaak door wever en wind. Doen ze daar nog altijd aan en ben jij nooit van de partij?’ Ik geef een ontwijkend antwoord en vraag weer wat hij nu eigenlijk uitvoert. ‘Lijmen,’ antwoordt hij. Hij ziet dat ik met zijn antwoord weinig opschiet. ‘Nu ja, lijmen. De mensen bepraten en dan doen tekenen. En als zij getekend hebben, krijgen zij het ook werkelijk thuis.’ ‘Wat krijgen zij dan thuis, Laarmans?’ vraag ik, want ik wil alles weten. ‘Hun lidmaatschapskaarten,’ zegt de man. Hij lacht weer. ‘Lidmaatschapskaarten van…, hij likt aan zijn single malt, ‘van…WEG,’ verklaart hij nader. Ik moet weer aan de mensen denken die ook vroeger al kaarten van hem kochten omdat zij niet anders durfden, want hij herkent zijn leden al uit de verte en besluit mij uit de voeten te maken. WEG, VER WEG!
Woensdag 28 januari 2009
In Galerie De Zwarte Panter, Antwerpen
Voorgelezen samen met Yves Desmet
Gesampled uit Het Dwaallicht, Lijmen, Een ontgoocheling, Verzen en Pensioen.
- login of registreer om te reageren
-

Als medeorganisator van dit intervieuw danken wij u van harte voor de schitterende wijze waarop u DEFLO hebt
"ondervraagd". ik stuurde nog een foto naar de webma
ster.weet niet of u die ontvangen hebt??
mvg jan franckx - secretaris wf. afd. mechelen