You are hereVan een bisschop en zijn godopstandige hete fluit

Van een bisschop en zijn godopstandige hete fluit


Door pat - 03 oktober 2009

 

 

Pat Donnez sampelt een nieuw erotisch Boonverhaal uit zes boeken van Louis Paul Boon. 

 

 

 

 

In het midden van de kamer bevindt zich een lage tafel, rijkelijk bedekt met spijs en drank. De rest van het meubilair bestaat uit een drietal ligzetels, waarvan één bezet is door de bisschop en ook nog Helena die het dringend eens nodig heeft. In de tweede zetel ligt de vriendin van Helena uitgestrekt, de achttienjarige Arlette. Een naar zijn zeggen veertigjarige man heeft de arm om haar heen geslagen: generaal Van der Missen. Voor deze avond heeft hij zich speciaal aangetooid als een Romeinse krijger, met lederen sandalen en een zeer korte tuniek die niets vermag te bedekken. De rand ervan wordt ten andere opgeheven door een roede die als een dreigende speer rechtop staat. Ook de dichtbehaarde kloten liggen uitgestald, als de vuistnoten op het kraampje van tante Margriet. Ik durf niet te zeggen of zijn monsterachtige piek deze van de bisschop overtreft in lengte en omvang, doch door de zware klootzak onderaan, beschaduwd door donkere krullende haren, lijkt het een kanon uit de middeleeuwen, in de veronderstelling dat er toen reeds kanonnen bestonden. Helena is dadelijk bereid, maar eerst wil ze nog wat genieten van al het heerlijks dat op de lage tafel uitgestald ligt. De benen open, haar ganse prachtige kut aan elkeens blikken prijsgevend, vertelt ze, hoe ze voor de eerste keer in haar leven een lul heeft mogen bewonderen. -Vertel, vertel, het is de moment ervoor! zegt de generaal.

Ze vertelt dan, hoe ze alleen met moeder op een kleine villa woonde, waarvan de tuin paalde aan de tuin van natuurlijk een andere villa. Zekere dag was ze zich onbewust beginnen strelen, natuurlijk daar, tussen de benen, terwijl ze tussen de struiken gehurkt zat en de mooie buurman aangluurde. Hij lijkt op tarzan, bedacht ze. Hij kwam naar haar toe, begon een praatje over koetjes en kalfjes, zoals stieren dat gewoon zijn, en vroeg of ze niet bij hem in huis een verfrissing wou genieten, een whisky-sofa of zo. Binnen in huis kreeg ze haar whisky-sofa, in die zin dat de whisky puur was en ze zich op de sofa neervleien kon, nu eens met de benen zo en dan weer met de benen anders, doch steeds maar erger, tot ze tenslotte helemaal open lag. Ze rekte er zich bij uit als een katje, net alsof ze niet besefte dat hij het kleine kutje van dat jonge katje onder ogen kreeg. Hij likte haar gatje. Hij likte dieper tussen de geopende benen het muisje dat ze voelde kittelen diep, diep, misschien wel ergens aan de rand van haar gelukzalig zieltje. Ze moest zich boven op hem neerzetten, met d’r natte kutje over zijn mond. Hij vond het zo’n prachtdingetje. Hij vergeleek het met een bloem uit de tuin, hij wist niet welke, maar vast en zeker de mooiste. Gehurkt over hem, keek ze na of het echt iets van een bloem weghad. Nadenkend zei ze: Nou, misschien dan een frivooltje, maar het ruikt toch meer naar een mosseltje. - En hoe hebt gij voor het eerste een stijve gezien? wil de bisschop van Arlette weten.

Mijn eerste stijve is ’t vertellen niet waard. Maar mijn eerste biecht daarentegen? Wat ik daar in de biechtstoel allemaal uit me kut sloeg, bracht eerwaarde op en over stang. Het mochten de meest ondenkbare verhalen genoemd met me oom de tandarts, met de vader van Muisje en met verder alle getrouwde mannen uit de buurt. Maar me wreedste en vrolijkste verhaal was wel met zes mannen na elkaar, op een avond in een kroeg. Bij weddenschap had ik daarna een bierglas onder me kut gehouden, dat het vollopen zou met het binnen in me kut geschoten zaad. Nou, dat hoorde hij dan in de biechtstoel. Hij overvloekte me, terwijl ik dat alles met het meest onschuldige gezichtje ter wereld prijsgaf. Hij maakte zich daar helemaal bloot en zei verontwaardigd: ‘Kijk maar eens toe, kleine vuile hoer, hoe razend je me maakt door je smeerlapperij te moeten aanhoren.’ Hij zei ook nog, dat ik mee moest naar de sapristij, want dat alleen nog het wassen van me kut in gewijd water de zonde kon wegwissen. Wij moeten ons allebei samen ermee wassen, zei hij, jij je smerige neukkut en ik me godopstandige hete fluit. Uit de biechtstoel de kerk inkijkend, zag hij dat die haast helemaal leeg was, behalve dan achteraan het paar mummelende oude wijfjes waaraan geen enkele kerk ontsnappen kan. Hij verliet de biechtstoel, z’n kleed helemaal open en de stijve fluit voorwaarts mars! Hij leidde me naar genoemde sapristij, waarvan hij de deur achter me hielen netjes afsloop. En  nou eens allemaal je kleertjes uit beval hij.  Arlette wil nog verder vertellen over die namiddag in de sapristij. Doch de anderen zijn er zo door geïrriteerd geraakt, dat ze zelf dringend nodig wat moeten doen om de kriebel kwijt te raken. Ze beginnen elkaar elk te betasten en te bestrelen. Behalve de generaal, hij houdt zich in, plots aan iets denkend, aan iets dat ver en vreemd hem reeds lang achter de rug ligt en hem angst heeft bezorgd. Niet aan zijn eerste keer, denkt hij, maar aan zijn eerste oorlog. Aan van de borre die altijd op zijn houten kloefen was en die dood is en vergeten en niet eens begraven, juist maar de stukken apeuprès bijeengevaagd en in de grond gestopt. Zijn knieën staken door zijn broek van armoe  - vertelt de generaal - en zijn oogen kropen uit zijn kop van honger. Ik zat op een zaterdagnoen op mijn drempel en hij kwam voorbijgestapt ietwat door zijn knieën knikkend lijk hij dat gewend was, zijn kop meeknikkend met zijn lijf en zijn pijp meeknikkend met zijn kop, goeiendag zei hij en ik zag dat hij van ver kwam. Duitschland? vroeg ik, en zette zich naast mij, neen hij was in de walen in florenne en hij verdiende vaneigens niet zoveel als de anderen in duitschland maar hij kwam om de 14 dagen naar huis en deed dan roltabak mee die men ginder uit zijn handen griste, en a propos of ik hem van geen porijzaad wist?

En werken, och zij legden ginder een betonbaan aan, maar zij hadden geluk dat ze een schop in hun handen hielden om zich aan vast te houden want anders vielen ze omver van luiheid. En hij lachte, er had een duitscher tegen hem gezegd laat het wat vooruitgaan fan ten porre, en hij had geantwoord heb geen angst ik zal het niet tegenhouden. Maar vooral - en hij pakte zijn pijp uit den mond en stak die omhoog - maar vooral: ze bombardeeren daar niet! en hij keek al knikkende met zijn kop naar zijn voeten om zijn stillen lach weg te steken. En dan, ze bombardeerden daar wél, almeteens, en van den borre zich vasthoudend aan zijn schop om niet omver te vallen werd apeuprès in den grond gestoken, en zijn vrouw gaf mij een doodsbeeldeken, zegt de generaal: overleden bij oorlogsomstandigheden te florenne den 9 mei 1944 en dat hij den arbeid liefhad en dat hij weggemaaid was toen niemand eraan dacht. En ze vertelde mij dat er een agent was komen vragen of zij de vrouw was van van den borre en dat haar man gekwetst lag in florenne, en zij had haar zwarten doek over het hoofd geslagen en was naar een bewijs gaan vragen om naar florenne te begeven, en waar zij dat bewijs moest halen had men haar gezegd: och het is de moeite niet gij zult er toch niets meer van vinden. Was dat uw eerste dode? vraagt Arlette verbouwereerd, waarop de generaal knikt. Het is nu duister geworden in de kamer, en het lijkt wel of de donkerte als een bom op het gezelschap is ingeslagen.

- De bisschop geeft toe dat zijn vader de eerste dode was die hij moest begraven.
- Uw eerste? schrikt de generaal, waarop ditmaal de bisschop knikt.
- Ik schreef hem een gedicht.
- Vertel vertel, het is de moment ervoor! zegt de generaal wederom. 

En de bisschop schraapt zijn keel en zet zijn krop rechtop.  Hij haalt zijn schoonste Vlaams boven.

- Vandaag bij je graf lieve paps
wou ik je zeggen hoe mooi
de meisjes worden en hoe kort
hun rokjes zijn en hoe dik
hun tieten worden

Je zag dat zo graag lieve paps
je keek het aan me je goedige ogen
de rustige glimlach van de oude man
je sprak zo graag lieve paps
over een koppel ferme tieten en toeten
en je had ze ook zo graag nog eens
beetgenomen ouwe sloeber lieve paps

dat wou ik je zeggen bij je graf
hoe mooi ze deze zomer waren
hoe liefdevol ik keek met jouw ogen
naar hun rokjes zo kort
naar hun spannende spijkerbroeken

je mocht het niet aankijken
van mams ik weet het
je wendde de goedige blik af
je bruine zachte ogen
van een te brave hond

vandaag vertel ik het dan
met wat weemoedige glimlach
aan je graf

 - Ik had geen vader, mijmert Arlette. Ik woonde alleen met mijn moeder op een kleine villa. Ze lag altijd in bed lijk in een zwarte zee. Slapen kon ze niet, ze lag weer naar het plafond te zien, en te luisteren naar den wekker die belachelijk de duisternis in uren trachtte te snijden. Welke zin heeft het nu om neer te liggen in een bed en met uw open oogen naar de duisternis te zien, te trachten naar den morgen die nooit meer komt?  In het ander beddeken lag ik die ook sliep. Mijn moeder stond op en trok haar kleeren aan die op een stoel lagen. Ze keek door het venster waar met den tijd toch een gordijn aangeraakt was. Binst ze naar buiten keek strikte ze haar rok toe en trok den pull-over aan, dien ouden pull-over welke ze nu al jaren droeg.

Ze bleef aan dat venster hangen waar nochtans niets anders te zien was dan een handjevol sterren boven een opengewroet land. Als haar linker been stijf en slaperig werd, als haar schouder precies gebroken was keerde ze zich om, en dan, heel stil, opende ze de deur en ging de trap af naar beneden. Ik lag in mijn beddeken te luisteren. Iemand die ’s nachts in zijn bed niet blijven kan en buiten moet, dat is een mensch die iets uitgespookt heeft wat niet te vergeven is! En ik keek naar de deur die zacht toeging. En wat kon ik zeggen? Kon ik zeggen: Waar gaat ge naartoe, moeder? En kon ik zeggen: blijf binnen moeder, het is buiten geen weer en ge zijt al niet goed. Neen, dat kon ik niet: moeit gij u met dingen die u niet aangaan! En als ik haar eens volgde, peinsde ik. Eens, maar nu vannacht niet. En ik zei lijk iedereen: morgen, omdat ik angst had het vreselijke te weet te komen. Omdat we liever onze handen voor onze oogen houden dan het leven in het gezicht te moeten zien. Arlette heeft zich nu blootgegeven waar andere haar nog nooit naakt hebben gezien...ze zitten  er allen een beetje aangeslagen bij. De bisschop schraapt zijn keel nog eens een keer en neemt zijn krop bij de hand:

- Want er is de zondagnoen
waarin men aan zichzelf de hand zou slaan
zoals men zegt - een vreemde vraag
zijn er ook dieren die zoals men zegt
de hand slaan aan zichzelf?

Maar vragen wij niet te weten wat wij vragen
in de zondagnanoen waarin wij de hand slaan
aan het brandhout
en in de kelder kolder hebben -
waarom Dat ogenblik niet verkoren
om aan haar de hand te slaan
doch haar te zenden naar de vage
de elysese gronden
waar men moordt en liefheeft

waarom haar doden zonder lief te hebben
waarom haar binden met een touw
haar te wurgen om niet te schreeuwen
terwijl daar in de kelder bij het brandhout
hij haar uit zijn kleren van het lijf
en exzema had weg te jagen

 De bisschop neemt Marina’s hand vast alvorens zij verder gaat:

 - ze liep in de schemer
in de avond en de donkere sparstraat

men weet daar dwaalt een man rond -
in het oerwoud van rode baksteen een dier
met onschuldig gelaat
maar onder de bleke regenjas
de honger van een grote pop
die om zichzelf en om de kinderen
zou kunnen wenen

zijn hand dwaalt naar de schurftige plek
waar hij vergeet te scharten 
vrijgesproken wat betreft
de moord
de koord
de godverdoemde feiten -
maar schuldig bevonden
aan het tasten met de handen
aan de landen
die werden ontdekt
maar niet geschonden

buiten in de bleke regen
dwaalde een onbekende 
in het oerwoud van bakstenen
en regenjassen

En al meteens is het muizenstil in de kamer met de lege tafel, rijkelijk bedekt met spijs en drank.  Almeteens druipen de bisschop, Helena, Arlette en de generaal...ze druipen...het af. Heel stillekes...hun goesting in spijs en drank en elkander is over...Tenige wat ze nog willen is alleen zijn, want wat heeft het alles nog voor zin?

 PAT DONNEZ

Uit: Eens op een mooie zomeravond,  Mijn kleine oorlog, Vandaag bij je graf lieve paps. Verzamelde gedichten, De voorstad groeit, De kleine Eva uit de kromme bijlstraat, Mijn kleine oorlog.

 Voor Zuiderzinnen. Performance met Lise Boutery, in Café Local, 20/09/2008

Pat Donnez

(1958) is schrijver, dichter, interviewer, performer en radiomaker. Hij werd bekend van en bekroond voor onder meer Bomans&Bomans, Titaantjes, Alaska, Bromberen en Leef Lang! op Radio 1. (VRT) Voor Klara maakte Donnez de prestigieuze radioserie Zot van Elsschot. In 2009 werd hij de eerste stadsartiest van Mechelen. Pat Donnez debuteerde met de gedichtenbundel Het is een mooi leven (Zolang je niet bestaat).  Het werd net als Hotemetoten, zijn eerste kinderbundel, enthousiast onthaald. Pat correspondeerde tien jaar lang met uitgeefster Angèle Manteau, het monstre sacré van de Vlaamse letteren.  Zijn brieven aan haar bundelde hij op verzoek van uitgeverij De Arbeiderspers in het aangrijpende boek Laten we de wereld vergeten. Donnez toerde met Chris Lomme langs de Vlaamse culturele centra met een keuze uit zijn werk.   'Niets is waar en zelfs dat niet. Gesprekken met Titaantjes' bundelt zijn beste interviews.

Voorjaar 2010 ging in de Mechelse Stadsschouwburg Ribbedebie in première, een theatershow met muzikant Gerry Demol. Zijn meest recente boek heet Marilyn. Over Kasper, een jongen van 14 en een 1/4 die opgroeit met een mama die denkt dat ze de reïncarnatie is van Marilyn Monroe. En zijn papa die psychiater is, gelooft dat ook.

 

Recente reacties

  • 2 jaar 6 weken geleden

    Als medeorganisator van dit intervieuw danken wij u van harte voor de schitterende wijze waarop u DEFLO hebt
    "ondervraagd". ik stuurde nog een foto naar de webma
    ster.weet niet of u die ontvangen hebt??

    mvg jan franckx - secretaris wf. afd. mechelen

Eerstvolgende afspraken

Dit zijn de afspraakmomenten voor de komende maanden
Website krijgt nieuw kleedje
Ribbedebie!
CC De Fabriek, Sint...
Lezing over Angèle Manteau voor Actueel Denken
Cultuurcentrum van...
Nocturne op de Boekenbeurs. Gesprekken met Titaantjes.
Gele Zaal. Julien...
Boekvoorstelling Niets is waar en zelfs dat niet
Boekhandel De...
Talking Head. Debatavond
Vooruit Gent
Leef lang!
Elke zondag om 13u...
Boekvoorstelling Niets is waar en zelfs dat niet
Flagey | Studio 1,...
Zuiderzinnen, Antwerpen
Antwerpen